Home

Agaporniden/Lovebirds

Parakeets/Parrots/Forpus

Siereenden/Ducks

Landschildpadden/Tortoises

TT - Exhibtion

Te koop/for sale
De Hobbykweker
Steven Raes
Verzorging
Kweken
Ziektes
Agapornis Canus
Agapornis Fischeri
Agapornis Lilianae
Agapornis Nigrigenis
Agapornis Personatus
Agapornis Pullarius
Agapornis Roseicollis
Agapornis Taranta
Tentoonstelling/exhibition
Ziektes

Bij onze agaporniden zijn er enkele belangrijke ziektes die ik toch even wil aanhalen, vooral de virale ziektes doen de laatste tijd hun opgang en zorgen voor heel wat uitval of slechte kweekresultaten.
Zorg telkens voor de nodige verluchting en toestroom van frisse licht, of indien je in gesloten binnenruimtes kweekt , zorg dan eventueel voor een luchtverfrisser. Zelf gebruik ik een luchtfilter van Progenion , die het stof , bacteriën en andere allergenen uit de lucht haalt.

www.hobbykweker.be - Agapornis taranta   

Dit is het toestelletje dat ik gebruik, zeer licht en haalt alle schadelijke stoffen en onfrisse geuren uit de lucht.

Komen je vogels met eieren, maar sterven de jongen in het ei of liggen ze na enkele dagen dood in het nest ondanks het feit dat ze toch gevoerd worden?
Zitten je volwassen vogels ineens vrij dik, komen ze niet goed door de rui of begint hun verenpak er slechter en slechter uit te zien ? Dan zou het misschien toch eens de moment zijn om te kijken of je geen ziektes op je hok zitten hebt.

1. Polyoma :

 
Symptomen

Bij een minder heftig verlopende vorm groeien de jongen slecht en zeer ongelijkmatig. De krop leegt zich slecht en de eetlust neemt af. Sommige jongen krijgen een erg opgezette buik met veel vocht erin omdat het virus de lever bijna vernietigd heeft (levercirrhose). Bij andere ontstaan onderhuidse bloedingen, ontstekingen aan de veerfollikels etc.
Heel wat sterfte onder de jonge vogels is hier meestal het gevolg van.

De nestgenootjes van deze vogels die het wel overleven worden drager van het virus. Vindt de besmetting plaats op zeer jonge leeftijd dan herkent het lichaam het virus niet als lichaamsvreemd en blijven de dieren levenslang geinfecteerd en besmettelijk voor andere dieren. Worden de vogels (of ouders) op wat latere leeftijd geinfecteerd dan blijft het virus ongeveer 24 weken aantoonbaar in het bloed, waarna de infectie weer verdwijnt. Ouders van jongen die de symptomen vertoont hebben moeten dus apart gezet worden. Een enkele maal zien we volledige uitgegroeide jonge of oudere vogels die ineens zonder symptomen dood liggen. Deze vogels hebben geen uitwendige symptomen maar hebben bij sectie een sterk gezwollen milt en lever.

Hoewel het polyomavirus veel voorkomt bij grotere kromsnavels zijn ook de kleinere kromsnavels (jonge grasparkieten) er erg gevoelig voor. Men onderscheidt verschillende vormen van polyoma. Er bestaan flinke verschillen in het ziektepatroon bij de verschillende kleinere papegaaiachtigen.

Bij Agaporniden onderscheidt men eveneens de peracute sterfte zonder voorafgaande symptomen. Een ander ziekteverloop bij Agaporniden wordt gekenmerkt door verschijnselen van lusteloosheid, geen eetlust, gewichtsverlies, vertraagde kroplediging, braken, diarree, uitdrogingsverschijnselen, ademhalingsproblemen en verhoogde urinevloei en vervolgens sterfte binnen een tijdsbestek van twee dagen. Bij Agaporniden blijkt bij sectie de buikholte gevuld met helder vocht en ziet men een smalle bleke milt en een bleke gezwollen lever. Bij Agaporniden treden de problemen gewoonlijk aan het licht op een leeftijd van 4 tot 16 weken. Agaporniden welke na vijf maanden met het polyomavirus in aanraking komen zullen doorgaans antistoffen opbouwen zonder ziekteverschijnselen te vertonen. Naar de oorzaak van Polyoma is vooral de laatste jaren door talrijke wetenschappers intensief onderzoek gedaan. Uit de onderzoeken is gebleken, dat de ziekte wordt veroorzaakt door het zogeheten avipolyoma-virus, een virus dat taxonomisch tot de grote familie van de papovavirussen wordt gerekend. De naam papovavirus geldt als familie-aanduiding voor het Papilloma (PA), Polyoma (PO) en Vacuola (VA) virus.

Verspreiding
Volwassen vogels verspreiden het virus door huidschilfers, veerstof en uitwerpselen. Verder zijn er aanwijzingen dat het virus ook via het broedei kan worden overgebracht. Een besmettingsroute via de ademhaling wordt niet uitgesloten omdat bij onderzoeken virusdeeltjes in het longweefsel zijn aangetroffen. Door Polyoma aangetaste jonge dieren verspreiden het virus door afgeworpen veren of veerdeeltjes, huidschilfers, veerstof, de ontlasting en mogelijk ook via de ademhaling.


Dragers
Vogels die de ziekte te boven komen, kunnen 'dragers' worden en op bepaalde momenten van stress een infectiebron vormen in kweekbestanden. Een aantal vragen ten aanzien van de progressie van de ziekte zijn nog onbeantwoord gebleven. Een open vraag is nog steeds, waarom sommige kweekparen voortdurend geïnfecteerde jongen voortbrengen, terwijl andere het ene jaar gezonde nakomelingen voortbrengen en het andere jaar zieke.

Vaccin
Zoals bij vrijwel alle virusziekten zijn er nog steeds geen specifieke medicijnen om de aandoening te behandelen. In Amerika wordt momenteel nog onderzoek verricht naar een vaccin als voorbehoedmiddel tegen de ziekte. Ook wordt momenteel een vaccin met geïnactiveerd Polyoma-virus door verscheidene universiteiten getest, dit is echter nog
niet relevant voor de praktijk. Het vaccin van BIOMUNE is voorlopig toegelaten in de USA, maar nog niet officieel verkrijgbaar in Nederland. De kosten liggen rond de 20 dollar per enting per vogel. De eerste keer moet er tweemaal geent worden met 3 weken tussentijd. Waarna de enting jaarlijks herhaald moet blijven worden.

Gezien de kosten zullen waarschijnlijk voorlopig alleen de beter gemotiveerde vogelliefhebbers met de duurdere vogelsoorten overgaan te enten. De verwachting is dan ook dat er altijd vogels zullen blijven die de besmetting kunnen verspreiden. Daarom is het zaak dat we leren omgaan met het fenomeen Polyoma. Kwekers die nog nooit metPolyoma te maken hebben gehad, dienen zich te realiseren dat juist hun bestand het meest kwetsbaar is omdat hun vogels onvoldoende of zelfs helemaal geen antistoffen tegen de ziekte hebben opgebouwd. Wanneer de ziekte onverhoopt optreedt, moeten een aantal maatregelen genomen worden om verspreiding van het virus binnen het bestand zoveel mogelijk te beperken.

Tot die maatregelen behoren:

  • Bij de duurdere kromsnavelsoorten: alle directe contact-vogels onderzoeken dmv een bloedonderzoek op de aanwezigheid van virus DNA en deze isoleren. Na ca 24 weken deze positieve vogels opnieuw controleren. Met de dan negatieve vogels kan weer geweekt worden. De nog steeds positieve vogels kunnen evt. na 3 maanden nogmaals onderzocht worden. Zijn deze vogels dan nog steeds positief, dan zijn deze vogels waarschijnlijk levenslang drager van het polyoma virus en gevaarlijke voor andere kromsnavels. De vogels zelf gaan vaak zelf niet meer dood aan het virus wat ze bij zich dragen. Ze zijn nog wel geschikt als solitaire huiskamervogel. En kunnen bij goede verzorging nog een respectabele leeftijd bereiken. Er bestaat geen geneesmiddel dat reeds zieke dieren weer beter maakt..
  • broedkooien, broedblokken, enz. regelmatig desinfecteren met een virusdodend middel,
    bijv. Halamid;
  • het gebruik van een luchtionisator, zodat zwevende stofdeeltjes die door de virussen als
    transportmiddel gebruikt worden, snel neerslaan;
  • zorgen voor een goede ventilatie en afzuiging gedurende de tijd dat de vogels actief zijn;
  • als u de kweekruimte met een stofzuiger reinigt een tweede slang aan de uitlaat van het apparaat koppelen en deze naar buiten leiden zodat de eventueel opgezogen virussen niet door het hele verblijfverspreid worden.

Bron Dierenkliniek De Toren Drachten

2. PFBD of veerrot  :

Het gaat om een besmettelijke virusziekte veroorzaakt door het Circo-virus.

Deze virusziekte was in eerste instantie vooral bekend als ziekte bij kaketoes. Inmiddels zijn de afgelopen 20 jaar steeds meer verschillende soorten papegaaien en parkieten bekend waarbij het virus problemen geeft.

Het belangrijkste kenmerk was met name bij kaketoes, het verlies van veren en ontwikkelen van afwijkende veren . Daarnaast kwamen er snavelafwijkingen voor.

De uitwendige verschijnselen maken dat er wordt gesproken over Snavel- en Veerrotziekte.

De afgelopen jaren zien we bij steeds meer vogelsoorten dat de "klassieke verschijnselen’ niet meer naar voren komen. Dat betekent dat vogels besmet kunnen zijn zonder uitwendige verschijnselen. Een belangrijk kenmerk bij deze virusziekte is dat vooral het afweersysteem wordt aangetast waardoor de weerstand van de vogel onvoldoende is.

Besmette vogels kunnen vervolgens allerlei complicaties krijgen die niet goed reageren op een behandeling.

In dergelijke gevallen is de problematiek vergelijkbaar bij mensen die besmet zijn met het HiV virus en vervolgens AIDS ontwikkelen waarbij allerlei complicaties optreden omdat ook bij AIDS het afweersysteem is aangetast.

Bij grijze Roodstaarten zien we regelmatig dat er geen uitwendige verschijnselen zichtbaar zijn. Jonge Grijze roodstaarten kunnen bloedarmoede ontwikkelen, verlammingsverschijnselen of acute leverontstekingen.

Vogels kunnen dan ook zonder uitwendige verschijnselen acuut doodgaan.

Er zijn gegevens waaruit naar voren komt dat er in de loop van de jaren verschillende varianten van het Circo virus circuleren. Het is inmiddels bekend bij o.a. agaporniden, lories en neophema’s.

Het praktische probleem wat zich daarbij voordoet is dat niet alle varianten met de normale laboratorium testen zijn aan te tonen.

Als het gaat om een besmetting met PBFD in een bestand is het zeker niet zo dat alle vogels besmet worden en vervolgens problemen krijgen.
Een deel van de vogels kan zich ontwikkelen als dragers zonder verder klachten of verschijnselen te vertonen.
Andere vogels worden besmet maar zien kans het virus te overwinnen en zijn vervolgens vrij van het virus.

Vooral jonge vogels zijn gevoelig voor deze virusziekte. Volwassen vogels lopen aanzienlijk minder risico.

Het advies is om een besmet bestand te controleren middels bloedonderzoek. Vogels die positief zijn, zonder uitwendige verschijnselen worden , net als de overige vogels, na 90 dagen opnieuw getest.

"Positieve vogels" worden in een quarantaine situatie gehuisvest, bij voorkeur met een buitenvlucht.

Afhankelijk van de omstandigheden is het advies dat vogels met uitwendige verschijnselen, waarbij het Circo-virus wordt aangetoond, worden geeuthanaseerd.
De tijd tussen het moment van besmetting en de uitwendige verschijnselen kan varieren van enkele weken tot vele jaren.

De verspreiding gaat via het zwevend stof en wordt door huidschilfers, veerstof en ontlasting in de omgeving  verspreid.

De mate waarin de problemen zich binnen een bestand voordoen zijn sterk afhankelijk van de huisvesting, de voeding en de verzorging.
Verder afhankelijk van de soorten en de mate van overbevolking en / of stress in een bestand.

Vogels in buitenvluchten lopen aanzienlijk minder risico’s dan vogels, opgesloten in binnenverblijven.
Ouders kunnen jongen besmetten tijdens het voeren.

Verder zijn er aanwijzingen dat het virus ook, door de pop, via het ei kan worden overgebracht.

Een groot probleem in de verspreiding is, dat er vogels zijn met een besmetting zonder uitwendige (klinische) verschijnselen. Deze zogenaamde dragers spelen een belangrijke rol bij de verspreiding van deze besmettelijke ziekte.
Dit kan zowel gaan om volwassen vogels als om jonge vogels die nog geen verschijnselen vertonen.
 
Huiskamervogels lopen vrijwel geen enkele risico tenzij deze in kontakt komen met vogels vanuit de handel of vogels vanuit een besmet bestand.

Onze ervaring is al vele jaren dat met name de kwaliteit van de voeding in hoge mate de algehele conditie en weerstand van vogels bepaald

Incubatieperiode

De kortste periode tussen een besmetting en uitwendige verschijnselen,(= de incubatieperiode) is 22-25 dagen.
De maximale periode is niet bekend. Er is een geval van een kaketoe, die ruim twintig jaar solitair als huisvogel was gehouden en vervolgens in een ruiperiode verschijnselen ging vertonen.

Bij nestjongen kan de ziekte een sneller verloop hebben dan bij volwassen vogels. Jonge vogels zijn het meest gevoelig voor de besmetting. Tijdens de veeraanmaak van de jongen kunnen de afwijkingen al binnen enkele weken zichtbaar zijn.

Diagnose

De diagnose is te stellen op grond van:

1- de uitwendige verschijnselen

2- weefselonderzoek

3- bloedonderzoek

Behandeling

Zoals bij alle virusziektes, zijn er geen specifieke medicijnen om de ziekte te behandelen. Er kunnen ondersteunende maatregelen genomen worden en de complicaties kunnen worden behandeld.

Uiteindelijk zijn de kansen op herstel vrijwel te verwaarlozen en is er een reeele kans dat vogels drager blijven. Hiermee kunnen deze vogels verder voor verspreiding van de ziekte zorgen.

In enkele grote bestanden in Amerika kon men uiteindelijk vrij komen van de ziekte door, gedurende enkele jaren, het toepassen van een zeer strenge selectie. Vogels met verschijnselen en vogels die hiermee in contact geweest waren, werden geeuthanaseert.

De ontwikkeling van een entstof kan hierin verandering brengen omdat gevaccineerde dieren geen risico meer lopen.

Preventie

Zoals bij alle virusziektes, is de enige goede preventie te verwachten van een entstof.In Amerika zijn al experimentele ervaringen met een entstof opgedaan. Deze ervaringen lijken gunstig.

Het zal vermoedelijk nog wel jaren duren voordat wij van deze ontwikkelingen kunnen profiteren.

Actuele preventieve maatregelen zijn :

  • Bij een aankoop zeer bewust weten van wie een vogel wordt gekocht. De aankoopvan vogels met een onbekende achtergrond, is in veel opzichten een groot risico.
  • Een langdurige quarantaine periode, waarbij vogels met name in een ruiperiode kritisch onderzocht moeten worden.
  • Vooral jonge vogels moeten de eerste 2 jaar herhaaldelijk worden onderzocht tijdens de veeraanmaak.
  • Het realiseren van huisvesting waarbij stofvorming en verspreiding zoveel mogelijk beperkt kan worden. Vogels in buitenvluchten leveren een minder groot risico op dan vogels in binnenverblijven. Volières en vogelverblijven moeten zoveel mogelijk gescheiden zijn waarbij binnenverblijven over een goede ventilatie en afzuiging moeten beschikken.

Differentiaal diagnose

Een differentiaal diagnose is een overzicht van verschillende ziektes, waarvan de verschijnselen met elkaar overeen komen.
Het gaat hierbij vooral om aandoeningen van de huid en de bevedering.

Zonder verder in dit artikel te willen ingaan op deze verschillende ziektes is het mogelijk toch goed om zich te realiseren dat niet elke huid-, snavel- en veerafwijking veroorzaakt wordt door PBFD.

Enkele voorbeelden:

  • Stokrui waarbij vogels in korte tijd onevenredig veel veren verliezen.
  • Verenplukkerij of anderszins beschadigde bevedering.
  •  ruistoornissen met afwijkende bevedering door langdurige voedingsfouten.
  • chronische ziektes en vergiftigingen kunnen uiteindelijk afwijkende bevedering veroorzaken.
  • polyfollikulosis bij agaporniden en grasparkieten met kaalheid, jeuk en afwijkende veervorming.
  •  kruiperziekte is ook een virusziekte met stoornissen in de aanmaak van vleugelpenen en staartpennen.
  • papovavirusinekties kunnen bij jonge papegaaien, kaketoes en ara's ontwikkelingsstoornissen veroorzaken.
  • huidontstekingen door bacterie- en/of schimmelinfecties kunnen veerafwijkingen veroorzaken
     

Laboratoria :

Momenteel zijn er reeds verschillende laboratoria waar men de testen kan laten uitvoeren. Praktisch gezien betekent dit dat men enkele veren uit staart of vleugel plukt (vers), in een gesloten zakje stopt en opstuurt naar één van deze centra.

Biofocus
Berghäuser Str. 295
D-45659 Recklinghausen

Telefon: +49 [0] 2361. 3000-121
Fax: +49 [0] 2361. 3000-169
Internet: www.biofocus.de
E-Mail: contact@biofocus.de
 

Gendika uit Nederland
www.gendika.com


HomeAgaporniden/LovebirdsParakeets/Parrots/ForpusSiereenden/DucksLandschildpadden/TortoisesTT - ExhibtionTe koop/for sale
Dieren vereisen constante aandacht en verzorging, weet waar je aan begint.